Wat is het verschil tussen een boot en een schip?

Het verschil tussen een boot en een schip is het formaat. Een boot is doorgaans heel wat kleiner dan een schip en heeft niet zoveel laadruimte. Een boot is dus minder bestemd voor transportactiviteiten en wordt eerder als pleziervaartuig gebruikt.

Wat is een scheepsklasse?

De hoofddoelstelling van het project is om onze waterwegen toegankelijk te maken voor schepen van klasse Va en Vb. Zo’n klasse is een technische term en dus redelijk abstract. We maken het even wat concreter voor je:

Maar een scheepsklasse verwijst ook naar de lengte, breedte en diepgang van een schip:

  • Een schip van klasse IV is 105 meter lang, 9,5 meter breed en heeft een diepgang van 3 meter.
  • Een schip van klasse Va is 110 meter lang, 11,4 meter breed en heeft een diepgang van 3,5 meter.
  • Een schip van klasse Vb is 190 meter lang, 11,4 meter breed en heeft een diepgang van 3,5 meter.

Door simpelweg te verwijzen naar de scheepsklasse zeg je dus in één keer wat het laadvermogen van een schip is, hoe lang en hoe breed het is en welke diepgang het heeft. Voor schippers, binnenvaartbegeleiders en scheepvaartinspecteurs is het dan ook een handige indicatie.

Wat betekent diepgang?

Diepgang en diepte zijn twee verschillende dingen. De Leie, bijvoorbeeld, brengen we tot 4,5 meter diepte omdat hedendaagse schepen een diepgang van wel 3,5 meter kunnen hebben. Dat wil zeggen dat ze 3,5 meter diep in het water liggen. Om niet in aanraking te komen met de bodem of obstakels voorzien we één meter extra diepte.

De diepgang van een schip hangt af van hoe zwaar het geladen is. Hoe meer vracht een schip aan boord heeft, hoe dieper het in het water ligt.

Wat is een duwkonvooi?

Een duwkonvooi bestaat uit een duwboot en één of meerdere duwbakken. De duwbakken zijn niet gemotoriseerd en kunnen enkel aangedreven worden door een boot. Het laadvermogen en de afmetingen van een duwkonvooi variëren sterk naargelang het transport.

Wat is een containerschip?

De naam verklapt het eigenlijk al: dit is een schip dat containers vervoert. Er zijn verschillende mogelijkheden om ladingen te transporteren, waaronder container-, bulk- en palletvervoer.

Welke goederen worden het meest vervoerd over het water?

Transport via de waterweg is een uitstekende manier om grote ladingen vlot en efficiënt op hun bestemming te krijgen. Welke goederen vervoerd worden, hangt vaak af van de regio en de soort bedrijvigheid die daar heerst. De meest voorkomende ladingtypes in Vlaanderen zijn bouwmaterialen, containers (die verschillende soorten goederen bevatten), chemische producten, aardolieproducten (bijvoorbeeld brandstoffen) en granen.

Deze goederen kunnen op drie manieren vervoerd worden: via containers, bulk of pallets.

  • Containers: goederen worden in containers geladen en die containers worden gestapeld in het schip.
  • Bulk: onverpakte lading die in grote hoeveelheden tegelijk in het laadruim van het schip gestort wordt. Dat kan zowel om vloeibare als vaste goederen gaan.
  • Pallets: goederen worden op pallets gestapeld, met folie omwikkeld en gaan aan boord van het schip.

De meeste goederen in Vlaanderen worden in bulk vervoerd. Ook containers zijn zeer populair voor transport. Nochtans is palletvervoer de belangrijkste goederentransportwijze in heel Europa, maar dan vooral op de weg. Net omdat er zo weinig pallets gebruikt worden voor transport, heeft palletvervoer nog een enorm potentieel – zeker voor de binnenvaart.

Wat is de rol van het Franse kanaal Seine-Nord Europe in dit project?

Dit nieuwe kanaal vormt een schakel tussen het netwerk van waterwegen in de Benelux, bij uitbreiding Noord-Europa, en Frankrijk. Tussen beide regio’s bestaat momenteel namelijk geen geschikte verbinding voor grotere schepen. In Vlaanderen kan die verbinding wel nog tot stand komen door onze bestaande waterwegen te moderniseren. In Frankrijk niet, waardoor er nood is aan een nieuw kanaal dat toegankelijk is voor moderne schepen.

Waarom graaft Frankrijk een heel nieuw kanaal in plaats van oude kanalen op te waarderen?

Er zijn twee kanalen die de verbinding maken tussen de regio rond Compiègne en de regio rond Cambrai, zoals het nieuwe kanaal dat zal doen: het kanaal de Saint-Quentin en het kanaal du Nord. Deze bestaande kanalen dateren van begin 19de en het midden van de 20ste eeuw.

In die tijd waren schepen een pak kleiner. Vandaag worden goederen in grotere hoeveelheden vervoerd. Dat is niet alleen tijd- en kostenbesparend, maar ook noodzakelijk - de bevolkingsgroei, en dus het aantal consumenten, is immers sterk toegenomen vergeleken met vroeger.

Het kanaal du Nord en het kanaal van Saint-Quentin zijn niet alleen gebouwd op maat van kleine schepen, ze overbruggen ook het heuvelachtige landschap van Picardie. Om het waterpeil trapsgewijs over deze heuvel te krijgen, zijn sluizen nodig. De sluizen op deze twee kanalen zijn naast klein ook zeer talrijk. Ze zomaar vervangen door minder en grotere sluizen is geen evident werk, om niet te zeggen onmogelijk. Daarom bouwt Frankrijk een nieuw kanaal.

Wat zijn de meest voorkomende procedures en stappen in een onderzoek?

Milieueffectenrapport (MER)

Wanneer grote infrastructuurwerken worden gepland, moet tijdens de voorbereidende fase een milieueffectenrapport worden opgesteld. Dat is een uitgebreid verslag over de verwachte gevolgen van de geplande werken voor mens, natuur en landschap. Voor minder complexe ingrepen volstaat een milieueffectenscreening: een lightversie van het rapport.

Een plan-MER onderzoekt de milieueffecten van alle mogelijke alternatieven voor de locatie en realisatie van een project, bijvoorbeeld voor een nieuwe sluis, stuw, enzovoort. Het volgt de vooropgestelde doelstellingen van een project. Onder andere op basis van dit onderzoek kan er een beslissing volgen over de beste locatie en realisatie voor het project. Daarna kan er een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) worden opgemaakt om indien nodig de bestemming van bepaalde zones te wijzigen.

Een project-MER gaat uit van een gekozen locatie en onderzoekt de milieueffecten van de concrete uitvoering van een project en de impact van de werken op de omgeving.

Ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP)

Een ruimtelijk uitvoeringsplan is enkel nodig in geval van een bestemmingswijziging. Wanneer een bepaalde bodembestemming gewijzigd moet worden, wordt zorgvuldig bekeken of de wijziging verantwoord is. Daarvoor wordt een openbaar onderzoek gedaan.

Met dit plan legt de overheid in een bepaald gebied de bodembestemming vast: bouwgrond, landbouwgrond, industrie, enzovoort. Ruimtelijke uitvoeringsplannen vervangen de vroegere gewestplannen. Voor alle percelen in een bepaald gebied wordt zo heel duidelijk wat er kan en wat niet. Op basis hiervan kunnen omgevingsvergunningen toegekend worden.

Ontwerp

Om tot een ontwerp te komen van bijvoorbeeld een sluis of stuw, moeten alle voorgaande stappen in je onderzoek goedgekeurd zijn: een milieueffectenrapport of -screening en eventueel een ruimtelijk uitvoeringsplan. Pas daarna kan je beginnen aan je ontwerp.

De ontwerpfase start met een vooronderzoek waaruit conceptontwerpen ontstaan. Vervolgens kan een voorontwerp uitgewerkt worden: daarmee doe je voorstellen voor de locatie en de invulling (wegenis, vormgeving, aparte fiets- en voetpaden …) van het bouwwerk. Wanneer een bepaald voorontwerp wordt gekozen, wordt dit verder verfijnd naar een definitief ontwerp.

Omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning is nodig om werken te mogen uitvoeren. De omgevingsvergunning verenigt en vervangt de stedenbouwkundige vergunning, de verkavelingsvergunning en de milieuvergunning. Dat is efficiënter, bespaart tijd en leidt tot betere resultaten.

Openbaar onderzoek

Nadat een milieueffectenrapport of ruimtelijk uitvoeringsplan is opgemaakt, of een omgevingsvergunning gegeven is, volgt een openbaar onderzoek. Dat is noodzakelijk om nadien goedkeuring te krijgen.

Bij een openbaar onderzoek kunnen belanghebbenden, zoals bewoners of bedrijven in de buurt, opmerkingen formuleren. Deze moeten ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen. Zij geven dit door aan de bouwheer, die bekijkt hoe gewichtig de opmerkingen zijn en of ze meegenomen kunnen worden in het verdere traject.

Aanbesteding

Wanneer het nodige studiewerk gebeurd is en er beslissingen zijn genomen, start de zoektocht naar een aannemer die het project zal uitvoeren. Bij grote werken gaat het vaak om meerdere aannemers die de handen in elkaar slaan.

Er wordt een gedetailleerde opdracht uitgeschreven, waarvoor verschillende aannemers zich kunnen inschrijven. Degene die de opdracht uiteindelijk binnenhaalt, moet minstens 15 dagen en ten laatste 45 dagen nadien beginnen met de werken. Daarvoor geeft de opdrachtgever een zogenaamd aanvangsbevel.

Waarom duren de werken zo lang?

Het plan om een aangepaste verbinding voor moderne schepen aan te leggen tussen het Seine- en het Scheldebekken zit al sinds de jaren negentig in de pijplijn. Om van een idee naar een concreet project te gaan, heb je tijd nodig. Tijd om tot overeenkomsten, gedragenheid, studies, ontwerpen, aanbestedingen … te komen. Zeker voor een project van deze omvang, want met Seine Schelde pakken we maar liefst 1.100 kilometer waterwegen aan in Vlaanderen, Wallonië en Frankrijk.

Daarnaast moet de binnenvaart haar werk kunnen blijven doen. Een project van deze omvang verwezenlijk je niet in één keer. Dat zou betekenen dat er een hele tijdlang geen binnenvaart mogelijk is, door de vele werken die tegelijkertijd uitgevoerd worden. Dat is niet alleen economisch niet interessant, maar ook weinig realistisch.

Wat is de Grensleie?

De Grensleie is een deel van de Leie, dat de grens vormt tussen Vlaanderen en Frankrijk. De rivier loopt in Vlaanderen langs Menen, WervikWervicq-Sud, Halluin en Bousbecque helemaal tot in Deûlemont in Frankrijk. Aangezien dit deel van de Leie over de landsgrenzen heen loopt, is er een speciaal verdrag opgesteld voor de aanpassingen en het onderhoud van de rivier. Zowel Vlaanderen, Wallonië als Frankrijk zetten zich samen in om te investeren in de binnenvaart van de toekomst. 

Wat is een bevaarbare waterloop?

Een bevaarbare waterloop is een waterweg die voornamelijk gebruikt wordt voor waterbeheersing, watergebonden transport en watergebonden economie. Dit zijn de hoofdfuncties , maar er wordt ook maximaal ingezet op andere functies zoals recreatie, ecologie en een goede integratie met het landschap.